Web Page Maker

Kerst in de jaren 60 aan boord van Hr.Ms.van Ewijck.

Er is van alles te schrijven over de tijd die wij allemaal mee  maakten aan boord van onze " van Ewijck "  en soms komen er verhalen los, die de moeite waard zijn om op te schrijven. Daarom hebben we deze pagina gemaakt om met elkaar via deze optie de verhalen te publiceren. Het liefste met foto's, maar als je geen foto hebt is het verhaal cq gebeurtenis ook van zelfsprekend welkom.

Ook tijdens deze foto werden verhalen verteld, maar wat????

Zo te zien was het wel leuk.


CASIPORA  Klik hier


Klik hier en stuur je verhaal in, binnen een aantal dagen wordt deze geplaatst.

Piet Scheffer vertelt:

Wanneer het was dat weet ik niet meer precies. Het zal ongeveer februari 1964 geweest zijn dat we op rondreis, zeg maar vlagvertoon, gingen met de Ewijck langs de Bovenwindse eilanden en nog wat andere oorden. Het was heel rustig weer in al die tijd dat we van Curaçao naar de eerste bestemming Sint Maarten vertrokken. Onderweg werden we er nog op gewezen dat we de SPUTNIK konden zien, dat was de eerste Russische kunstmaan, als een snel bewegend lichtje aan de nachtelijke hemel. Was het nog druk aan dek ook, want iedereen wilde dat wel zien. Nou ja je wist dat het de SPUTNIK moest zijn, maar eerlijk gezegd was er niet veel aan. Later, veel later als dat soort dingen ter tafel kwamen, ja dan werd het wel interessant, want dan kon je zeggen ” ik heb de SPUTNIK nog gezien” toen we in de Caribische zee voeren met het fragat Hr.Ms. van Ewijck. Mensen zullen het niet willen geloven, maar het is waar, dat lichtje aan de hemel was de SPUTNIK. Eindelijk, het duurde allemaal veel te lang, want varen is leuk, maar passagieren nog leuker kwamen we in de buurt van Sint Maarten. En toen kreeg ik het nog even heel druk ook. Als Toelis moest ik eerst zorgen dat de brieven die de commandant, als vertegenwoordiger van Nederland, had geschreven werden uitgetikt op een haperende schrijfmachine. Ze moesten mee met de eerste sloep naar de wal, als diplomatieke post. Er was in 1963 nog geen pier waaraan we konden afmeren, dus werd er voor anker gegaan. Gelukkig was de post snel uitgetypt en kon ik kort wit aan trekken. Douchen en tanden poetsen, het schoot er allemaal bij in, wanthaast had ik. En met gepoetste schoenen, dat dan weer wel, stond ik, toch als eerste wel zo’n beetje, aan dek, gereed om naar de wal te gaan. We lagen best wel een eindje uit de kust en omdat dan het strand er nog meer als een bounty eiland uitzag was de wil om te gaan nog groter geworden. Het te water laten van de motorsloep ging niet heel soepel, maar toen die in het water lag was hij snel gevuld met zoveel personen als mogelijk was. Dan halverwege ongeveer, pech! Heel dikke pech!!!! Halverwege strand en Ewijck gaf de motor er de brui aan. Kwartiermeester……..(dingetje, ik weet niet meer wie het was) vroeg heel bedeesd “jongens, wat doen we, gaan terug aan boord roeiend of gaan we roeiend naar het strand”. Zelden heb ik iemand zo snel overgehaald zien worden als toen. Roeiend ging eigenlijk nog sneller dan met de motor. Gebrekkig was de communicatie gelukkig nog wel toen, en misschien was er wel helemaal geen communicatie met de Ewijck mogelijk, maar besloten werd dat de motor gemaakt moest worden aan het strand. Dat kon wel even duren!! Pech blééf ons achtervolgen. ( gelukkig wel ). Vlakbij waar we geland waren was een strandbar geopend. Toerisme was in opkomst en de eigenaar had er een prachtige uitspanning van gemaakt op dat witte strand onder de palmbomen. Prachtig met allemaal van die rieten parasols met leuke zitjes. Gratis drankjes. Ook voor de machinist die de motor zou repareren, die had ook wel trek in een versnapering. Dat werden er dus meer. Die motor was dus niet klaar diezelfde avond! We moesten op het strand maar zien te overleven die nacht. Nou dat ging best wel. Drank zat in die nieuwe tent en we probeerden uit alle macht om de flessen voor het lekkere en de fusten tegen de dorst leeg te krijgen en het faillissement van de bar te bevorderen. Gelukkig was dat niet gelukt natuurlijk.. De volgende dag op het strand als voor dood de nachtrust ingehaald. We zijn natuurlijk terug aan boord gekomen, maar heb eigenlijk geen idee meer hoe dat ging.
Later zijn we nog wel een paar keer naar de wal gegaan om boodschappen te doen. Van diverse kanten had ik, maar dat bleek eigenlijk iedereen wel te zijn, de order meegekregen om wat drank te kopen. Nou dat was wel wat. De beste Whisky, Rum en Cognac voor 1, zegge één, Curaçao‘se gulden! Je moest dan wel verschillende merken in een doos doen, want anders moest er belasting worden betaald! Dozen vol kwamen aan boord en veel minder uiteindelijk gingen van boord. ’t Was goed spul werd gezegd, maar dat moest je toch echt wel zelf ontdekken, toch?


Wordt vervolgd, Piet.


Een paar dagen later naar SABA liefst + foto's ....... wie ?



Foto's  Piet  st. Maarten

Deel twee Piet Scheffer

Op Zee 25 februari 1964.
Na St. Eustatius, Saba en St. Maarten eigenlijk niks beleefd. Ja, Eustatius was wel erg leuk, maar de rest was best wel saai. Allemaal kijken we uit naar Suriname. Het beloofde land! Spanning en avontuur werd ons beloofd. 0f hadden wij ons dat zelf maar wijsgemaakt? Allerlei verhalen deden de ronde over prachtige donkere meisjes, die er wel wat voor over hadden om mettertijd naar Nederland te komen en een “Jan” aan de haak slaan was dan wel handig! Maar dat waren verhalen en Suriname was nog niet in zicht. We passeerden Martinique in de nacht, bij dag zagen we St. Lucia en St Vincent, daarna zagen we Tobago. Ik, maar ik denk velen met mij hadden deze, of in ieder geval, één van deze eilanden, wel eens nader willen verkennen. Van foto’s wist je dat hier prachtige meiden moesten zijn. En ja, je had best wel jeuk, zo her en der. Maar dan eindelijk Suriname!! In de vroege ochtend 28 februari om 04.00 uur voor anker bij het lichtschip “Surinamerivier”. Om dan rond 08.00 uur, eerst wel even baksgewijs houden natuurlijk, met aan boord een loods de Suriname rivier opgevaren. We passeerden Fort Zeelandia (later bekend van de Decembermoorden met in de hoofdrol mijnheer Desy Bouterse). Saluutschoten over en weer werden gelost, want dat is vereist bij een officieel bezoek. Dan eindelijk afmeren aan de Ogem steiger. (Overzeesche Gas en Electriciteits Maatschappij) Hier stond een band van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) met alles wat ze in zich hadden het Wilhelmus te blazen. Leuk natuurlijk, maar de wasvrouwen en fruitverkoopster waren veel interessanter. Prachtig uitgedost in Surinaamse folkloristische kleding als Cottonmissie, boden zij hun diensten en fruit aan. En dat konden we allemaal wel gebruiken. Onze kleding stonk, omdat door water tekort de wasbaas beperkt was in het uitvoeren van zijn taken. Je wasgoed afgeven was nog wel even een dingetje, want je gaf je kleding wel af aan zo’n wasvrouw, maar kreeg je het nog wel terug? Jawel hoor, we kregen het terug en hoe. Lang wit kon je bijna niet aantrekken. Door het vele stijfsel zo strak als een plank, maar prachtig wit en met een echte vouw in je broek. Maar de eerste dag gingen we van boord in een wat minder fraai lang wit, maar met heel veel enthousiasme, want wat zouden we gaan beleven? Parbo bier? Wat was dat dan wel, en dat ook nog in literflessen. Sodeju dat was goed te drinken en dat het een literfles was, was ook niet heel erg. Je moest gewoon wat sneller drinken, zo snel dat het bij de laatste slok nog redelijk koud was!

Suriname 29 februari 1964.

Om 07.00 uur kwamen er twee bootjes van de TRIS langszij. Deze zouden ons naar het Boscreolen dorp Santicron aan de Saramacca rivier brengen. Die tocht duurde 4 uur! Wel heel lang, maar je waande je een soort van ontdekkingsreiziger. Er werd door de TRIS gul broodjes, softdrinks en bier uitgedeeld. Dan plotseling was daar Santigron en de bewoners stonden aan de oever te trappelen van ongeduld om ons te ontvangen. Want zo’n grote groep bezoelkers betekende ook handel. Er werd dan ook lustig allerhande snijwerk door ons gekocht. Pagaaien, houten schotels en meer van dat soort gedoe. Er werd gedanst voor ons en we werden rondgeleid door de onder-kapitein van het dorp. Iedereen was gekleed zoals het gebruikelijk was en dat was dus half gekleed. Je kent de foto´s wel. Borsten die je ook over de schouder kan dragen! We konden hier natuurlijk niet al te lang blijven want 4 uur terugvaren naar de Ewijck was toch echt nog wel een poos, maar aan boord op de terugreis kregen we een bamihap, die perfect was, en dat kwam goed uit, want de magen rammelden als nooit tevoren. Bij terugkomst was er een feestavond georganiseerd, een all ranks ball in het Prins Bernhard Kampement. Het leukste van dat feest was nog dat alles gratis was, want alle verschillende `ranks` kliekten toch gewoon bij elkaar. Burgers bij burgers, officieren bij officieren, onderofficieren en manschappen min of meer gemixt. Zij hadden, zeg maar, de zelfde “komaf” Rond 01.00 uur besloten we, schrijver administratie Udo Buijs, en ik om nog even Parimaribo in te gaan. Gewoon een beetje rondkijken en een hapje eten in hotel Torarica. Maar het bezoek aan de boscreolen zat ons nog in de benen, eigenlijk waren we gewoon bekaf en gingen we terug aan boord.

Suriname, 1 maart 1964.

Vandaag weer een excursie. Nu naar de Billiton Bauxietmijnen. Ditmaal reisden met een bus over een soort wegen van rode klei. Wat stoof als een gek. In de Stafclub van Billiton werden we bedolven onder een overvloed aan etenswaren en drank. Ik had me samen met anderen geïnstalleerd aan een grote ronde bar met uitzicht op het zwembad. Een glas bier bij de hand waar ik nooit de bodem van zag. Een slok eruit, een slok bijgetapt. Vreemde gewoonte, maar wel een prettige gewoonte van de barman. Later toen ik was overgegaan naar de Whisky-soda wilde diezelfde barman dat kunstje van bijschenken weer doen, maar dat leek me overdreven en heb het hem dan ook gezegd. Ik ken mijn grenzen, maar toch, toen we die middag rond drie uur terug naar de Ewijck reden, was ik behoorlijk wankel. ´s Avonds aan boord een film met BB Brigitte Bardot gezien. Had me er meer van voorgesteld want er was weinig bloot te zien.

Suriname 2 maart 1964.

´s Morgens Paramaribo ingegaan. Gewoon wat kijken en een beetje cultureel doen. We lopen een beetje doelloos rond en vragen een voorbijganger waar we kunnen lunchen. Hij legt ons uit waar we het beste terecht kunnen en al pratende lopen we verder en uiteindelijk lunchen we met z´n drieën. Hij, Leo Biswana, komt uit Casipora, Joden Savanne en gaat de volgende dag samen met z´n drie zusters terug naar zijn dorp. Kunnen wij mee vraag ik. Ja, natuurlijk zegt hij. Geen idee van de afstand en de tijd die er mee gemoeid is om in dat dorp te komen. Dat blijkt ongeveer een hele dag te zijn! Even achter de oren krabben, want gaat dat wel lukken? ´s Middags aan boord teruggekomen direct de eerste officier Vogelenzang aangesproken. Die vond het erg leuk en zou het aan de cdt. voorleggen. Nog geen uur daarna kregen we accoord. Wel even een verklaring tekenen dat alle risico´s voor onze rekening waren. Dus weekend tas inpakken en een biertje pakken en vroeg naar je tampat.
Suriname 3 maart 1964.
Die ochtend vroeg, nog voor overall, uit de veren, wassen en op weg naar………………………………………………

Half zes opstaan....

Half 6 opstaan, en dat uit vrije wil. Normaal was je bij overall om 7 uur je tampat niet uit te slaan, maar nu vrijwillig om half 6! Wel héééél stil zijn natuurlijk want de slapende mannen wakker maken was genoeg om een oorlog te beginnen. Na ons afgemeld te hebben en de passagierskaart ingeleverd te hebben naar een busje gelopen iets verderop waar Leo en zijn drie zusters al op ons wachtten en naar de steiger in Paranam waar een rivierboot klaar lag om de dagelijkse tocht te ondernemen. Op een marktje bij de steiger nog wat fruit gekocht voor onderweg en daar gingen we dan. Met kloppend hart, want waar kwam je terecht, en als je ziek werd wat dan? Maar als 19 jarige was je je ook niet al te bewust van beren op de weg. Onderweg op de Suriname rivier bij dorpen, eigenlijk meer negorijen, want het stelde helemaal niks anders voor dan op-afstap plaatsen voor achterliggend gebied, hier werden mensen afgezet en aan boord genomen. Namen als Sattenjong, Goede Vreede, Mohamoe, Waccawatra en Carolina hebben we gelezen als namen van die Nederzettingen. Rond het middaguur kwamen we aan in Joden Savanne. Tenminste we dachten ter plekke te zijn aangekomen, maar nee, Joden Savanne is een groot gebied en niet het dorpje waar wij dachten te moeten zijn! Leo zei dat de reis niet lang meer zou duren, dus nog even doorzetten maar. Nou dat doorzetten was wel even een dingetje zal ik je vertellen. Joden Savanne was een verschrikkelijk hete zandvlakte en hoewel onze bagage was verdeeld over de drie meiden konden wij ze niet of amper bijhouden. Die martelgang duurde drie uur en toen zagen we het terrein langzaam veranderen. Struiken in plaats van zand, daarna bos in plaats van struiken. en dachten we dat het leed was geleden, maar dat leed moest dan nog komen. Geen doorkomen aan, tenminste niet voor ons. Wij hadden schoenen aan en dat leek ons wel zo veilig. Maar Leo en zusters hadden allang hun schoenen uitgedaan en gingen als een speer door dat woud. Er was geen meter zonder een obstakel. Drassige poeltjes, brokken boomstam, wortelkluiten, lianen, en ik weet al niet meer dat ons een normale doorgang verhinderde. Onze vier gidsen maar steeds roepen dat we moesten doorlopen. Toen eindelijk bij een kreek aangekomen waar een korjaal, op het land getrokken, klaar lag. Nu moesten we er wel bijna zijn. Maar nee, inmiddels rond 4 uur geworden,hadden we nog een vaartochtje van rond anderhalf uur voor de boeg. Wat een bijzonder mooie vaartocht was dat. Een muur van bomen links en rechts. Allerlei dieren in het water en aan de oevers. Prachtig. Zo dachten wij er toen niet over hoor. Wij rustten uit, bekaf als we waren! Benen als lood en schoenen rijp voor de sloop. Toen werd het woud lager en dunner en zagen we in de verte wat hutten. Eindelijk we waren er. Nee dus! Cassipora, want zo heet het dorp waar we moesten zijn was nog een uur lopen. En eindelijk rond zes uur waren we er. Maar uitrusten? Nee! Alsof we van een andere planeet kwamen. Er werd aan ons gevoeld, door de haren gestreken, aangestaard en door Leo de aan ons gestelde vragen en antwoorden vertaald. Inmiddels hartstikke donker geworden werden er overal vuurtjes aangestoken en gegeten. Wij ook eten dus. Het waren een soort moerasvisjes, die met huid en haar, en dus ook met de ingewanden, werden gekookt. Samen met cassave koeken, die ook niet te vreten waren, moest dat verorbert worden. Hoewel wel als feestmaal bedoeld, wat dat het, in ieder geval voor ons, niet. Ná het “feestmaal”werden we naar het midden van het dorp geloodst. En daar bij een groot vuur was iedereen tezamen gekomen om een korjaal die als een soort biertank voor de bereiding van het cassirie bier werd gebruikt, leeg te drinken. Er werd gedanst en gezopen. En zuipen mocht je het heus wel noemen. Iedereen was stom en stomdronken. Kinderen en ook de aller oudsten van het dorp. Geen idee hoe laat het was, maar op een bepaald moment begon de buik krampjes te krijgen. Tijd om te slapen dus. In hangmatten uiteraard, want zo wordt in Zuid Amerika geslapen, dus ook hier. En daar lag je dus tussen de bewoners van die hut in. Waren we wel in de goeie hut terecht gekomen? Geen idee, het is zo pik en pikdonker, je kan je dat gewoon niet voorstellen. Maar ja daar lig je dan. De krampjes worden heviger en je pissen kon ook niet meer uitgesteld worden. Dus uit die hangmat gevallen en op zoek naar een boom of zo. Diarree, overgeven en pissen. Als dat allemaal tegelijk moet gebeuren dan heb je een probleem, maar toch weer in de hangmat gewurmd na enige tijd. Dat is tot 3 keer die nacht zo gegaan. Wat voel je je dan armoedig. Ik had nog wel kans gezien om de vervuilde kleding uit te trekken op een in en in vuile pendek na. Blij als een kind toen het licht werd en ik de schade kon vaststellen. Nou de schade was al vastgesteld, want Udo en ik waren als laatste uit onze hangmat. Het wasgoed hing reeds aan de waslijn en het was tijd om onze tanden te poetsen. Eerst nog wel even kijken waar ik die nacht gekotst en gepist had. Daar was niks meer van te zien. Had iemand dat voor mij opgeruimd? Ja, maar niet door de bewoners, kwam ik achter, maar door bosdieren! Die hadden er een smakelijke hap aan hielden zo ook de gezamenlijke ontlastingplek redelijk schoon, vertelde Leo mij later. Tanden poetsen gebeurde in een poeltje met een plank er over. Nou daar ben je lekker bezig om in dat groezelige water je tanden te poetsen. Tanden poetsen een keertje overslaan dan maar, en wassen ook maar een keertje overslaan, leek een goed en voor de gezondheid ook een prima idee.
De eerste dag in Cassipora en het kennismaken met familie Biswana, het dorp, de gebruiken en de taal, dat is vooreen volgende keer

Casipora, 4 maart 1964

Na het overgeslagen, of in ieder geval het niet zo goed uitgevoerde, ochtendritueel van wassen en tanden poetsen even afwachten hoe het met het ontbijt zou gaan. ’s Nachts alles uitgekotst, dus er moest wel bij getankt worden! Honger als een paard en dus wel trek in een paar boterhammen met hagelslag. Oók waren een paar aspirientjes wel te waarderen geweest. Maar, geen boterhammen met hagelslag en ook geen aspirine. Wél een soort pap van cassave, ’t zal voor daar wel lekker zijn geweest, maar er zat kraak noch smaak aan. Toch waren we niet zo hongerig meer en waren uitgerust genoeg om op avontuur te gaan. Op jacht naar voedsel voor de avond! Met pijl en boog op pad om apen uit de boom te schieten! Nou nee, de vrouwen gingen met graafstokken naar cassaveknollen graven, want cassave dat is het hoofdvoedsel en de mannen zaten in een kring te kletsen en te roken. Opgerold tabaksblad en de fik er in. Het rook wel lekker, maar mijn Peter Stuyvesant sigaretje was toch net iets aangenamer. Dat vonden die mannen ook en dus was één pakje al snel op. Had gelukkig nog een pakje bij me, maar rookte dat een beetje stiekem op. Ik was wel niet zo’n verstokte roker, maar zonder wilde ik ook niet. De hele dag ging eigenlijk al verhalen vertellend voorbij. Wij wilden alles van de Arowak indianen weten en zij alles van de “bubuetekwan”. Dat is heel fonetisch voor overzeemensen, werd door Leo vertaald. Want hoewel in Suriname heel goed Nederlands werd gesproken, in Casipora hadden ze geen idee wat Nederland en Nederlands was. Die dag tot in de late avond gekletst en casiri gedronken. Niet te veel deze keer want de afgelopen nacht was ik nog niet vergeten. Duizend keer werden we door onze blonde haren gestreken door iedereen die uit nieuwsgierigheid langs kwam. Hoe kon iemand zo’n kleur haar hebben. Het was een raadsel voor hun. 

Na een redelijke nacht en het zelfde ochtendritueel van wassen en tanden poetsen moesten we toch weer terug naar de bewoonde wereld en de Ewijck. Bij het afscheid nemen, wat toch wel een emotionele gebeurtenis was kregen we ieder een stuk suikerriet van ongeveer 50 cm én een prachtige kan en ook een drink-etenskom van een versierde kalebas. (dit alles heb ik nog steeds en de kan staat zelfs als pronkstuk in de woonkamer) Bij de korjaal aangekomen bleek dat hij in de modder lag, zodat er niet gevaren kon worden. Dus Leo in z’n blote kont de bagger in om de boot te trekken met ons er in. Eerst hadden we nog geprobeerd om langs de kant mee te lopen, maar dat ging nog niet voor 5 meter. Wat een wirwar van takken, lianen en andersoortige obstakels. Dus wij in de boot en Leo door de prut ervoor. Dat voelde best wel ongemakkelijk, maar wij gingen voor geen prijs tot onze knieën of verder in die prut. Wat zat er niet allemaal in? Gelukkig duurde de pruttocht niet al te lang en kon er gevaren worden. Alles ging prima, maar in omgekeerde volgorde. In Paramaribo was het afscheid van Leo toch wel moeilijk. Hij had zoveel voor ons gedaan. Maar de Ewijck wachtte niet en achterzeilen was geen goed idee. Dus aan boord. Nu wel brood met hagelslag. Daarna een plekje opgezocht achter de apentafel, waar het rustig genoeg was om even de luiken te sluiten. Sodeju wat was het een mooi en enerverende trip geweest. De volgende morgen weer onderweg naar Parera en dienst zoals gebruikelijk. Moest nog wel bij de eerste officier LTZ1 Vogelenzang verslag doen en hij was zeer onder de indruk van onze belevenissen.

Later terug in Curacao werd ons zeer kwalijk genomen dat er van de drank gekocht op St. Maarten niet heel veel over was. Maar wat er over was was van zeer goede kwaliteit en dat hadden we zelf geproefd!!    

Post scriptum

 Udo Buijs, schrijver administratie, heeft de reis, zoals een journalist in de dop betaamd, gedetailleerd opgetekend destijds en die reisbeschrijving heeft bij mij als geheugensteun gefungeerd. Geheugen is een vreemd ding, want bij het nalezen bleek dat mijn geheugen zich gebeurtenissen anders herinnerde dan door Udo was opgetekend. 

Piet Scheffer.


MEMORIES ARE MADE FOR  THIS PAGE
SCHRIJF EN STUUR IN!